4.3.7.5. Overgang van werken naar pensionering

Flexibele pensionering kan vervroegde pensioenuitkeringen, deeltijdpensionering of variabele uitkeringen omvatten. Deze opties beïnvloeden de pensioenhoogte. Bij grote veranderingen in pensioenrechten moet de werkgever medewerkers informeren. Overbruggingsuitkeringen zijn tijdelijk mogelijk bij hogere AOW-leeftijd, en fiscale regels gelden voor vroegtijdige uittreding.

 

Teneinde een soepele overgang van werken naar pensionering te krijgen kan er gekozen worden voor flexibele pensionering. Bij flexibele pensionering bepaalt een medewerker zelf wanneer hij wil stoppen met werken, waarbij hij de keuze heeft uit een aantal jaren. Stopt hij eerder dan het gebruikelijke tijdstip, dan is er tevens sprake van vervroegde pensionering (4.4.). Vervroegd met pensioen gaan zal gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering van het pensioen. Niet alleen de opbouw van pensioen stopt namelijk eerder, ook de vervroegde uitkeringen gaan ten koste van de hoogte van het pensioen.

Voor vervroegde pensionering dienen voldoende middelen gereserveerd te worden. Pensionering voor pensioengerechtigde leeftijd, oftewel voordat er een AOW-uitkering wordt genoten, is geen aanvullende maar volledige uitkering. Daarover moeten bovendien meer sociale en fiscale inhoudingen plaatsvinden.

Mogelijk kan de werknemer een overbruggingsuitkering krijgen als hij door hogere AOW-leeftijd niet genoeg inkomen heeft totdat hij deze leeftijd bereikt. Deze regeling is ingegaan op 1 januari 2013. Het gaat om een tijdelijke regeling. De regeling eindigt op 31 december 2024.

Een andere vorm van flexibiliteit wordt verkregen door deeltijdpensionering, waarbij de medewerker in één of meerdere stappen overgaat tot het werken van minder uren tot aan zijn volledige pensionering. Deeltijdpensionering voordat er recht op een AOW-uitkering bestaat is een gedeeltelijke vervroegde pensionering. Daarvoor gaan de fiscale veranderingen die gelden voor vervroegde uittreding eveneens op. Door het invoeren van het verbod van onderscheid naar arbeidsduur, dient de verkorting van de werkweek in evenredigheid open te staan voor fulltimers en parttimers (2.6.1).

Naast het vinden van een andere invulling van de week, brengt pensionering vaak ook een grote verlaging van het inkomen met zich mee. Het loon en de pensioenuitkering(en) kunnen behoorlijk van elkaar verschillen. Om deze overgang meer geleidelijk plaats te laten vinden kan er gekozen worden voor een regeling van pensioenuitkeringen welke in het begin dicht bij het loon zit en geleidelijk gaat dalen in de volgende jaren. Hierbij zal de laagste uitkering (bijvoorbeeld per maand) minimaal 75 % van de hoogste pensioenuitkering moeten zijn.

Welke vorm van flexibiliteit er ook gekozen wordt, er moet steeds in de gaten gehouden worden dat de overgangsfase geen ingrijpende gevolgen heeft voor het recht op pensioen van de medewerker. Is dat wel het geval, dan is de werkgever verplicht om de medewerker te informeren over deze daling van het pensioenrecht.

Verder zoeken

Deze pagina is onderdeel van hoofdstuk 4 over de arbeidsvoorwaarden. Oftewel de tegenprestatie waarvoor werknemers bij een werkgever werken op grond van de arbeidsovereenkomst. U vindt in dit deel informatie over:

4.1. Loon (o.a. minimumloon, tijdstip betalen, loon vorderen, beslag)

4.2. Vakantie (o.a. vakantierechten opbouwen en opnemen, vakantiegeld)

4.3. Pensioen (o.a. opbouwen, afkopen, einde dienstverband)

4.4  VUT-regeling

4.5. Afdracht van loonbelasting en premies

Zoekt u een ander onderwerp, zie dan onze trefwoorden of inhoudsopgave.